Wat een IP-camera anders maakt
Een IP-camera is in feite een kleine computer met een beeldsensor. Hij zet het beeld zelf om naar een digitale stream en stuurt die over je netwerk naar een recorder of naar de app. Bij een analoog systeem gebeurt dat omzetten pas in de recorder en loopt er over de coaxkabel alleen een ruw videosignaal. Dat verschil bepaalt veel: bij IP zit de intelligentie in de camera, dus detectie op mens of voertuig, het maskeren van privézones en een tweede, lagere stream voor je telefoon draaien allemaal op de camera zelf.
Praktisch merk je dat aan drie dingen. Je kunt hogere resoluties kwijt dan een analoog systeem aankan. Je kunt per camera instellen hoeveel bandbreedte en opslag hij mag gebruiken, meestal via H.265-compressie. En je kunt camera's van verschillende merken combineren zolang ze ONVIF spreken, al zijn de slimme functies dan vaak beperkt tot wat het eigen merk ondersteunt.
Het nadeel is dat je netwerk onderdeel wordt van het camerasysteem. Een slechte kabel, een overvolle switch of een router die opnieuw opstart is meteen ook een probleem voor je beeld. Daarom staan camera's bij voorkeur op een eigen recorder met eigen PoE-poorten, gescheiden van het netwerk waar je laptops en tv op zitten.
