Welke melders er zijn en wat ze doen
Een alarmsysteem werkt met twee soorten detectie: schildetectie en ruimtedetectie. Schildetectie zit op de buitenschil van je woning. Magneetcontacten op de voordeur, achterdeur en te openen ramen melden het moment dat iets opengaat, en glasbreukmelders reageren op het geluid van brekend glas. Het voordeel is dat je de melding krijgt voordat iemand binnen staat.
Ruimtedetectie kijkt naar wat er binnen gebeurt. Een bewegingsmelder registreert warmtebeweging in een ruimte. Plaats ze op de plekken waar iemand langs moet: de hal, de overloop, de woonkamer bij de tuindeuren. Je hoeft niet elke kamer te voorzien, wel de looproutes. Daarnaast kun je een systeem uitbreiden met rook- en watermelders, die ook melden als het inbraakalarm uit staat.
Waar je een melder ophangt bepaalt hoeveel je er nodig hebt. Een bewegingsmelder in de hal die zowel de voordeur als de trap ziet, doet het werk van twee slecht geplaatste melders. Let op warmtebronnen in het zichtveld, zoals een radiator, een kachel of een raam met direct zonlicht. Die zijn een veelvoorkomende oorzaak van loze meldingen.
Heb je een hond of kat, kies dan melders met huisdiervriendelijke detectie en hang ze op de hoogte die de fabrikant aangeeft, met het gevoelige deel boven het dier. Voor dieren die op de vloer blijven werkt dat doorgaans goed. Katten die op kasten en vensterbanken springen zijn lastiger. In die ruimte is het vaak verstandiger om alleen de ramen en deuren te beveiligen en de bewegingsmelder weg te laten.
